Vrij van aanzien des persoons
Nadenken over de omgangsregel van Jacobus
De omgekeerde wereld
Onderscheid maken tussen mensen, in de zin van de ene groep achterstellen bij de andere, is buiten de christelijke orde. De kerken van hoog tot laag en van noord tot zuid kunnen dat weten van de apostel Jacobus. Om mensen te beschermen tegen zulke kwetsende achterstelling stelt Jacobus zijn omgangsregel van het respect: ‘Houdt uw geloof vrij van aanzien des persoons.’ (2:1) En hij tekent in zijn kleurige verhaal over
de rijke en de arme in de gemeente de omgekeerde wereld van het evangelie.Het heeft lang geduurd voordat christenen de diepe zin van het betoog van Jacobus begrepen. De kerk heeft die omkering van de waarden slechts met vallen en opstaan en met schade en schande heel langzaam en pas na verloop van veel tijd in praktijk leren brengen.
Dat ligt aan haar menselijke, al te menselijke karakter. Men is nu eenmaal kerk zoals men woont: in een stad anders dan in een dorp, in een feodale tijd anders dan in een democratie, in het noorden anders dan in het zuiden. En de harde regels van de samenleving kunnen heel lang en heel vaak de vreemde regels van de christelijke gemeente dwarszitten.Inderdaad hebben de kerken pas in de vorige eeuw, de twintigste, min of meer geleerd naar de omgangsregel van Jacobus te handelen: ‘Houdt uw geloof vrij van aanzien des persoons.’ Sinds nog maar zó kort wil men binnen de kerken, althans in theorie, geen verschil meer maken tussen rijk en arm, zwart en blank, ondernemers en arbeiders. Des te merkwaardiger is dat dat nog altijd wel gebeurt ten opzichte van hen die een handicap hebben. Er wordt immers nog wel onderscheid gemaakt tussen mensen mèt en mensen zònder handicap. Voor hen die gehandicapt zijn lijkt altijd gezòrgd te moeten worden, alsof zij zelf aan anderen geen zorg zouden kunnen besteden! En dat ingrijpende grievende verschil is nog nooit echt uitgepraat en als onterecht aan de kaak gesteld. Verschillen, die ten koste gaan van de waardigheid van een mens, moeten ontmaskerd worden. Maar daar heeft welke mensen-samenleving dan ook uit zichzèlf geen oog voor en geen oren naar.
De gelijkenis van Jacobus (2:1-6a) over rijk en arm kan zonder moeite in onze tijd zó verteld worden: “Mensen, houdt uw geloof in onze Heer der heerlijkheid, Jezus Christus, vrij van aanzien des persoons. Want stel, er kwam in uw vergadering een man binnen, recht van lijf en leden en blakend van gezondheid en energie, en er kwam ook een kromgegroeide mens binnen in een rolstoel, en u zou opzien tegen de man met zijn geweldige uitstraling en zeggen: “Neemt u hier plaats in deze commissie en in dit bestuur”, maar tot de rolstoeler zou u zeggen: “Wat zielig, daar is voor u nog een plaatsje vlak voor de preekstoel, een beetje uit het pad, en straks krijgt u een fruitmandje!” zou u dan geen onderscheid maken onder elkander en optreden als rechters, die zich door verkeerde overwegingen laten leiden? Hoort, mijn geliefde broeders! Heeft God niet de gehandicapten van de wereld uitverkoren om sterk te zijn in het geloof en ook erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben? Maar u hebt de gehandicapte smadelijk behandeld!”
Tweeslachtigheid …
Het mensbeeld dat men hanteert is bepalend voor de houding die men aanneemt tegenover mensen met een handicap. Ook in de kerken. En daar is nogal eens een tweeslachtigheid in aan te wijzen.In de lijn van het Oude en Nieuwe Testament is er in de kerk aandacht voor de naaste, met name voor de naaste in kwetsbare maatschappelijke posities. In Israël gold immers dat men vóór alles elkaars metgezel was, elkaars deelgenoot, want samen was men volk van God. Daarom is de één verantwoordelijk voor de ander, daarom dient de dagelijkse omgang bepaald te worden door de barmhartigheid naar de regels van Israëls rechtvaardige God. Het verbod ‘een dove te vloeken en voor een blinde een struikelblok te leggen’ van lev 19:14 wordt direct gevolgd door de bepaling in vers 15 ‘bij het rechtspreken geen onrecht te doen’. De gerechtigheid en de barmhartigheid staan niet als twee schone deugden náást elkaar, maar trekken samen op, corrigeren elkaar. Zij kenmerken beiden tegelijkertijd één en dezelfde levenshouding. Deze bij uitstek joodse beschouwing van de omgang met de naaste - geen onderscheid maken, niet voortrekken, geen aanzien des persoons - wordt bezongen in psalm 82: ‘Richt de geringe en de wees, doet recht aan de ellendige en de behoeftige, bevrijdt de geringe en de arme, redt hem uit de hand van de goddelozen …’
Joods als de joden heeft Jezus het verhaal van Gods recht verkondigd door barmhartig te zijn. Joods is de achtergrond van de genezingsverhalen van de evangeliën. Joods ook is het pleidooi van Paulus voor de eigen en volwaardige participatie van ‘het zwakke en misdeelde in het lichaam’ (I cor 12). In de eerste gemeenten van de apostolische tijd was de dienstbaarheid aan elkaar dan ook een voor de hand liggende zaak: zó en niet anders was men christen. Later in de geschiedenis van Europa hebben de kloosters mensen, die door ziekte of handicap uit de samenleving wegraakten, opgevangen en plaats gegeven. Nonnen en monniken legden de basis voor de huidige gezondheidszorg.
Maar meteen daarnaast is er in de kerk de andere ontwikkeling, vanuit de verering van het schone en het evenwichtige, en vanuit het primaat van de rede en het verstand. Voor velen is de uitspraak van Iuvenalis (+100 na Chr): "Mens sana in corpore sano", een soort hoogste waarheid, "een gezonde geest in een gezond lichaam"! Nu misschien wel meer dan ooit: om mee te tellen moet je sterk en gezond en jong en aantrekkelijk zijn.
Bedenk daarbij dat de kerk na de eerste eeuwen zoveel invloed kreeg, dat zij zich ging vereenzelvigen met de belangen van de machtigen in de samenleving. De kerk werd rijk, een politieke grootheid, partij in geschillen. Het gevolg was dat de kerk zich solidair verklaarde met de bezitters en de machthebbers en met wet en orde. En toen gebeurde wat vanuit het evangelie niet màg gebeuren: de kerk verloor haar aandacht voor de zwakken en de achterop-geraakten. Met als gevolg, dat eeuwenlang de zorg voor zieken en mensen met een handicap bij kloosterorden berustte en níet bij de officiële kerk. Ook na de Reformatie in Europa veranderde dat niet echt: niet de gewone gemeenten trokken zich het lot aan van de misdeelden in de ruimste zin van het woord, maar de ènkelingen, de pioniers van opwekkingsbewegingen zoals het Piëtisme en het Réveil.
Zorgen voor….
De combinatie van het mensbeeld, waarin zorg voor elkaar een belangrijke plaats heeft, en het mensbeeld waarin de suprematie van de sterke en gezonde mens wordt voorop gaat, heeft de toon gezet voor de houding van de kerken ten opzichte van wie leven met een handicap of chronische ziekte. Ook hier bleek steeds een ‘tegenover’: wíj aan de ene kant en zíj aan de andere kant, normalen tegenover abnormalen, mensen zònder tegenover mensen mèt een handicap, helpers tegenover geholpenen, sterken tegenover zwakken, weters tegenover niet-weters. En dan lijkt het alsof de dingen vastliggen, alsof de regels duidelijk zijn. De voorspelbaarheid is dan baas geworden en zo lang niemand er iets van zegt en er iets aan doet zal er niets veranderen.
Het valt niet te ontkennen: er wordt veel en met liefde gezorgd voor mensen met een handicap, er wordt van alles en nog wat voor hen opgezet en georganiseerd. De vrijwilligersorganisaties binnen en buiten de kerken zijn legio. Het uitvinden en produceren van hulpmiddelen is een florerende industrie geworden. En de mogelijkheden van subsidiëring door overheden zijn, in rijke landen althans, groot. En het jaar 2003 is uitgeroepen tot opnieuw ‘een Europees jaar van mensen met een handicap!’ Maar men kan natuurlijk niet met het oog op al die goedheid tot de verlamde in de elektrische rolstoel en tot de blinde met zijn laptop op schoot zeggen: “Mijn liefjes, wat willen jullie nog meer??”
De omgangsregel van Jacobus blijft ons tot een àndere orde roepen, tot die van de respectvolle waardering. Want met welk recht worden zij die een handicap hebben uitsluitend op hun handicap aangezien en daarnaar ‘dove, blinde, lamme of aids-patiënt’ genoemd? Met welk recht wordt aan hen die gehandicapt leven moeten níet naar hun mening gevraagd? Met welk recht wordt er nog steeds onderscheid en verschil gemaakt door hen die de dienst uitmaken? Het is zelfs zo geworden dat hun gebogen houding, als die van de barmhartige Samaritanen van lucas 10 en II kronieken 28, door mensen met een handicap als neerbuigend wordt ervaren. Dat geschiedt als gerechtigheid en barmhartigheid gescheiden worden.
De tweedeling op grond van het aanzien des persoons is hen die de kerk bevolken opgebroken en te veel geworden. De boodschap voor hen, die wereldwijd en één-kerk-breed samen leven, is veeleer dynamisch in plaats van statisch, veel meer vernieuwend dan bevestigend. De vragen zijn aan àllen gericht, aan mensen mèt en zònder handicap in gelijke mate: wie zorgt voor wie? waarheen gaan we? hoe delen we sámen? wat leren we elkáár? waar kan de één de ander verder helpen?
Verschillend bekwaam
Wie een handicap heeft weet heus wel wat het is om met beperkingen te moeten leven. En de niet-gehandicapte, die aandachtig met zo iemand verkeert, weet ook wel hoezeer je daar rekening mee hebt te houden. En meer dan eens ontdekken zij samen slim en vindingrijk hoe er uit hun oplettende omgang met elkaar ongedachte mogelijkheden ontstaan. Zij vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig en durven ook ten opzichte van elkaar te verwoorden, dat zij ‘verschillend bekwaam’ zijn.
Eerst sprak men over ‘gehandicapten’ en later veranderde men die term liever in ‘mensen met een handicap’, omdat iemand toch vóór alles mèns is. En die ontwikkeling gaat door: nu leest men hier en daar over ‘mensen met verschillende mogelijkheden’. En in dezelfde lijn heeft de Wereldraad van Kerken in de Interim Statement van 1997 afstand genomen van de benaming ‘people with a disability’, omdat ‘disability’ ondubbelzinnig de beperking aanduidt. Daarom spreekt men daar op het ogenblik liever over ’differently abled’, omdat men de nadruk wil leggen op dat waartoe men in staat is. Het onderscheid dat bestaansrecht heeft - er zíjn mensen mèt en zònder handicap! - blijkt zeer vruchtbaar: elkaar aanvaarden zoals men is betekent ook respectvol omgaan met elkaars mogelijkheden en beperkingen.Echte veranderingen kosten veel tijd, ook in de kerken, ook in de Wereldraad. In 1975 heeft zij in Nairobi met overtuiging over mensen met een handicap gezegd: "De eenheid van het huisgezin van God wordt gehandicapt waar deze broeders en zusters behandeld worden als voorwerpen van neerbuigende liefdadigheid." En tijdens de zesde assemblee van de Wereldraad van Kerken te Vancouver in 1983 zijn de mensen met een handicap uitdrukkelijk opnieuw als groep ter sprake gekomen in rapport 3, dat ging over het recht van deelneming aan de gemeenschap. Toen al moesten we verdrietig constateren, dat "hun acceptatie en integratie niet voltooid is." Nu in 2003 spinnen we de rode draad van het verhaal moedig verder en gebruiken we betere en voor ons gevoel meer ter zake doende woorden.
De omgangsregel raakt aan de zaak zelf
Maar papier is geduldig. Opnieuw duikt immers het gevaar op dat we met woorden willen overbruggen wat we in de praktijk als onoverkomelijk ervaren. Iedereen weet: men neemt de pijn en de moeite niet weg door er andere woorden voor te gebruiken, maar alleen door er èchte woorden voor te vinden. De zaak zèlf moet bespreekbaar worden en de waardig-heid van de één dient voluit gekend te worden door de ander: wij mogen geen geringschattend onderscheid, geen achterstellend verschil maken ‘Houdt uw geloof vrij van aanzien des persoons’ schreef Jacobus, want hij had het hele Oude Testament achter zich, omdat hij het evangelie van zijn grote broer Jezus serieus nam.
Jezus kiest onvoorwaardelijk voor de omgekeerde wereld van Israëls God. Jezus was dan ook consequent in de buurt van hen die in kwetsbare posities verkeerden en gehandicapt waren. Hij bevoogde hen niet, maar Hij vroeg aan henzelf wat zij wilden dat Hij hen doen zou. Hij was er niet om hen zo vèr mogelijk omhoog te werken in de richting van wat wij ‘normaal’ noemen, maar simpelweg om bíj hen te zijn, één van hen te zijn. Niet om op te roepen tot verdienstelijke goede werken, maar om de gerechtigheid en de barmhartigheid in de dagelijkse omgang concreet te maken heeft Hij gezegd: “Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven…” (mattheüs 25:35vv) En het is dichtbij de werkelijkheid van het evangelie, als wij daarbij invoegen: “Ik was een mongool en jij hebt Mij zien staan…”