Enkele weken later las ik de passage uit Lukas 24: 36-39. De tekst staat in het verhaal van Jezus’ dood en opstanding, maar de aandacht is in dit gedeelte gericht op zijn volgelingen die alleen zijn en terneergeslagen. In de tekst staat: Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan…….Zij waren verbijsterd en door angst overmand en meenden een geest te zien. Hij zei tegen hen: “Waarom zijn jullie bang en komt de twijfel op in jullie harten? Kijk naar mijn handen en mijn voeten, ik ben het zelf. Raak me aan, en kijk…
Hier was geen sprake van een God in een sip/puff, maar hier was de opgestane Christus die Gods belofte waar maakte dat Hij met ons is, met een lichaam, zoals wij zijn, gehandicapt en goddelijk. Toen ik deze passage las, realiseerde ik mij dat hier een deel van mijn verborgen geschiedenis als Christen aan het licht kwam. De basis van Christelijke theologie is de opstanding van Jezus Christus. Toch wordt de opgestane Christus zelden herkend als een god wiens handen, voeten en zijde de kenmerken dragen van een ernstige fysieke handicap. Door zijn beschadigde lichaam aan zijn verbijsterde vrienden te tonen, openbaart de opgestane Jezus zich als de gehandicapte God. Jezus, de opgestane redder doet een appčl op zijn bevreesde metgezellen om in de kenmerken van handicap hun eigen verbinding met God te herkennen, hun redding. Door dit te doen, is de gehandicapte God ook degene die een nieuwe mensheid laat zien. De gehandicapte God is niet alleen die Ene uit de hemel, maar de openbaring van de waarachtige mens, waarbij onderstreept wordt dat volledig mens zijn in overeenstemming is met de ervaring van gehandicapt zijn. De gehandicapte God begrijpt de ervaringen van degenen in de bijbelstudiegroep en ook die van mijzelf. Zijn roep tot gerechtigheid geschiedt niet door middel van afstandelijke principes, maar door middel van Zijn incarnatie en diepgaande kennis van de kwetsbaarheid en ellende van het menselijk bestaan.
Deze ontmoeting met de gehandicapte God was de bron van de bevrijdingstheologie van de handicap waarover ik heb geschreven in mijn boek The disabled God. Dit boek roept op tot gerechtigheid en tot herstel van vitale Christelijke symbolen en rituelen. (Eiesland, 1994)
Deze theologie wordt nu steeds meer gelezen door bevrijdingstheologen, feministische theologen en een toenemend aantal predikanten en leken die (al of niet tijdelijk) gehandicapt zijn. Hoewel men in het christendom soms doorgaat met uitsluiting en het versterken van vooroordelen, blijkt het toch mogelijk vanuit het christendom betrokkenheid en visie te ontwikkelen die kan bevorderen dat de maatschappij in de goede richting verandert. Het is mogelijk om betere theologie voort te brengen en vorm te geven aan een kerk waarin alle leden volledig kunnen deelnemen. Met het bevorderen van deze zienswijze is er ook meteen een tegengeluid contra de algemene mening dat de religieuze geschiedenis en praktijk enkel bepaald en spiritueel beďnvloed is door mensen zonder handicap en dat wat buiten dit domein valt van geen enkel belang is.

Bevrijdingstheologie moet reflectie en actie steunen om rechten voor mensen met een (tijdelijke) handicap te bevorderen. De vraag is: ‘wat is gerechtigheid?’ Wellicht hanteren we daarbij allemaal onze eigen definities, maar mijn overtuiging is dat gerechtigheid en actie voor gerechtigheid in de eerste plaats de verdienste heeft en die handelingen inhoudt dat zij volledige participatie nastreeft; dat mensen met elkaar spreken over wat het betekent dat mensen tot hun recht komen (heelheid van leven ervaren); dat er zó samengewerkt wordt om de drempels te slechten die relaties belemmeren en instituties ontoegankelijk maken dat er sprake is van wederkerigheid en wederzijds respect voor verschillen. Met andere woorden: gerechtigheid gaat in de eerste plaats om ‘luisteren’. Niet zomaar luisteren, maar het horen van de roep om gerechtigheid die in het dagelijks leven weerklinkt.
Luisteren betekent aandacht geven aan de manieren waarop in gesprekken van alledag de roep om gerechtigheid klinkt (en soms is dat een algemeen aanvaarde stilte!). Het gaat niet om een theorie die uitgelegd moet worden, of om volle agenda’s die gevolgd moeten worden, nee het gaat om het roepen, de pleidooien, de verzoeken die mensen doen. Persoonlijke en maatschappelijke reflectie op de rechtsvragen begint eerder met luisteren, met acht slaan op het roepen, dan met het weergeven en bedwingen van een bepaalde toestand. De roep om rechtvaardig te zijn klinkt altijd in een concrete sociale en politieke context en praktijk. Maar al te vaak hebben mensen zonder handicap zich beijverd, nog voor zij goed luisterden, om strategieën uit te stippelen in antwoord op de door henzelf als ‘ziekelijk’ beoordeelde levens van mensen met een handicap. Zonder naar ons te luisteren hebben zij gepoogd voor ons te spreken; zij beslisten hoe en waar wij het beste God kunnen dienen. Zij hebben ons verklaard tot sacramenten van genade, zonder te luisteren naar ons vurige verlangen om deelnemers te zijn en geen sacramenten. Het onderzoeksproces van kerk en maatschappij moet beginnen met het luisteren, met het horen van de roep om gerechtigheid die opkomt uit de monden en harten van mensen met een handicap die te midden en rondom ons leven.

(vertaling Cobi de Poel)
   
   

--   EINDE  --